Duurder tanken, vervuilde lucht, aardbevingen in Groningen en extreem weer dat zowel boeren als consumenten het leven moeilijk maakt. Het is een greep uit de merkbare consequenties van de mondiale welvaart en bijbehorende consumptiemaatschappij. Het is ook een lijstje dat menig mens de neus zal uitkomen. Voor een deel geldt dat ze het probleem niet zo zien of de urgentie niet voelen om het op te lossen. De rest is van mening dat er wel degelijk een urgent probleem is, maar heeft weinig behoefte aan verdere doemberichtgeving daarover. “Voor de grote meerderheid is het zowel privé als bedrijfstechnisch wel duidelijk dat we er iets mee moeten”, stelt Olof van der Gaag, directeur van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE). De vraag is niet langer óf er klimaatbeleid gevoerd moet worden, maar hoe. “Hoe doen we dat, werkt het wel, wat kost dat dan, wie betaalt het en is dat wel eerlijk?”, somt hij de relevante vragen van nu op.

Hoe Nederland denkt te gaan verduurzamen, is het afgelopen jaar uitvoerig besproken door vijf sectortafels, ook wel klimaattafels, met ieder een eigen doelstelling rondom CO2-reductie. De tafels, bestaand uit ruim honderd bedrijven en organisaties die kennis of een andere concrete bijdrage kunnen leveren aan de benodigde veranderingen, waren door het kabinet gevraagd om te bedenken hoe Nederland in 2030 49 procent minder broeikasgassen kan uitstoten dan in 1990. Eind juni van dit jaar stuurde minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat een brief aan de Eerste en Tweede Kamer met daarin het resultaat van de maandenlange discussie: een voorstel voor een Klimaatakkoord.

Kostenplaatje

Het woord ‘voorstel’ is belangrijk om op te merken, meent René Peters, directeur Gastechnologie bij TNO. Hij benadrukt dat er goede stappen zijn gezet, maar er nog geen handtekeningen onder het voorstel staan van alle betrokken partijen. Zo vinden milieuorganisaties de voorstellen nog niet voldoende om de klimaatdoelen uit het Parijs-akkoord te halen, terwijl ondernemersorganisatie FME aangeeft dat de gepresenteerde maatregelen duurzame investeringen van de industrie onder druk zetten en de sector dwingen tot onrendabele investeringen. Peters zelf uit een overkoepelende zorg rondom het kostenplaatje: “Er hebben heel veel partijen met elkaar gesproken, maar de burger zat niet aan tafel. In gesprekken over het verdelen van de kosten bestaat dan het risico dat partijen een uitweg zoeken door (te veel) kosten bij de burger neer te leggen.” Hij betoogt dat het belangrijk is om de balans te behouden tussen kosten voor de overheid, het bedrijfsleven en de maatschappij.

Een goede verdeling en met name het beperken van de algehele kosten staan bij iedereen hoog op de agenda, denkt Van der Gaag. Dat eerste is een uitdaging, puur omdat er zoveel verschillende partijen betrokken zijn. Het tweede is wat hem betreft in het huidige voorstel al aardig gelukt als het bekeken wordt vanuit de context van de hele Nederlandse economie. “De kosten voor sociale zekerheid zijn bijvoorbeeld 81 miljard euro per jaar en we geven al 2,8 miljard euro uit aan duurzame energie en het klimaat. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft berekend dat daar met dit klimaatvoorstel 1,6 tot 1,9 miljard euro bovenop komt.” Dat komt neer op jaarlijkse meerkosten van minder dan 0,5 procent van het bbp in 2030. Iets wat Nederland prima aankan, aldus Van der Gaag. “Als we zorg en sociale zekerheid kunnen betalen, kan dit ook. Daar gaan we in de verste verte niet failliet aan.”

Energie als rode draad

Naast het kostenplaatje is de haalbaarheid van maatregelen een belangrijk thema. Niet zozeer van de beoogde CO2-reductie per sector – die is door het kabinet vastgelegd – maar juist van de specifieke acties die worden voorgesteld om de reductie werkelijkheid te maken. Het onderwerp energie speelt daar een grote rol in, omdat het als een rode draad loopt door de verduurzaming van alle vijf de sectortafels: elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, en mobiliteit. En dan gaat het dus niet enkel om de elektriciteit die men binnen deze sectoren verbruikt, benadrukt Peters. “Elektriciteit vertegenwoordigt maar 20 procent van het energiesysteem.” De overige 80 procent bestaat uit energie die bijvoorbeeld warmte creëert voor productieprocessen in de industrie, waarop men thuis kan koken of waarop de benzineauto rijdt.

Toch wordt er flink ingezet op het verduurzamen van de elektriciteitsvoorziening. Het voorstel stelt dat in 2030 minimaal 75 procent van de Nederlandse elektriciteit op duurzame wijze moet worden opgewekt. Momenteel blijft het aandeel steken op 17 procent. Van der Gaag legt uit dat dat grote winst zal opleveren op het gebied van CO2-reductie, omdat er dan geen steenkolen meer verbrand hoeven te worden – de meest vervuilende bron van elektriciteit. Bovendien maakt een groot aanbod duurzame elektriciteit het ook aantrekkelijk om die elektriciteit te gebruiken voor andere dingen zoals de verwarming van het huis, het laten draaien van een fabriek en het laten rijden van auto’s. “De vraag is nu soms hoe zinnig het is om elektrisch te gaan rijden als die elektriciteit opgewekt is door kolen. Dat is dan niet meer aan de orde.”

Goedkoop versus rendabel

Om de 75 procent te halen, moet er een flink aantal nieuwe windmolens en zonnepanelen geplaatst worden – 700 molens op zee, 500 op land en 75 miljoen zonnepanelen volgens de NVDE. In hoofdlijnen zijn de voorgestelde afspraken genoeg om dat doel te kunnen behalen, meent Van der Gaag. Energiebedrijven kunnen jaarlijks een windpark op zee bijbouwen dat genoeg elektriciteit levert voor 1 tot 1,5 miljoen huishoudens. Het voorbereiden van de aansluiting daarvan – het neerleggen van het net op zee – kost acht tot tien jaar. Die tijd is er echter ook, omdat dit in hetzelfde ritme gepland kan worden als de aanleg van de windparken, beargumenteert hij. Op land voorziet hij dat het vinden van ruimte voor nieuwe molens soms lastig zal zijn, waardoor niet alle geplande projecten kunnen doorgaan. “Deels komen nieuwe molens echter ook op de plaats van oude. Die leveren op dezelfde plek twee tot vier keer zoveel stroom.” Naast het uitbreiden van de hoeveelheid opgewekte duurzame elektriciteit kan het terugdringen van energieverbruik op zich een bijdrage leveren, met relatief eenvoudige maatregelen zoals betere isolatie. Van der Gaag: “Er zijn nog miljoenen slecht geïsoleerde huizen in Nederland, waaronder twee miljoen zonder spouwmuurisolatie.”

Om het gebruik van duurzame elektriciteit op grote schaal haalbaar te maken, moet er niet enkel meer opgewekt worden, maar moeten ook de kosten ervan omlaag. Dat is nog wel spannend, meent de directeur. Natuurlijk is het goed dat elektriciteit uit zon en wind goedkoper zijn geworden en ook de ambitie om die daling voort te zetten is positief. De vraag is dan wel of de elektriciteit nog voldoende opbrengt voor projectontwikkelaars van energieparken om de zaak rendabel te houden. Bij veel zon of wind zullen de prijzen flink omlaag gaan. Bij weinig zon of wind gaat de prijs omhoog, maar daar heeft de projectontwikkelaar niets aan, tenzij hij elektriciteit tijdens een piekmoment heeft weten op te slaan of afspraken heeft met een fabriek die het stroomverbruik aanpast aan het aanbod van elektriciteit.

Waarde van waterstof

Waar het inzetten op zonne- en windenergie ondertussen is ingeburgerd, blijft een andere – potentieel duurzame – vorm van energie nog een discussiepunt: waterstof. Peters is allereerst blij dat het onderwerp überhaupt een eigen hoofdstuk heeft in het klimaatvoorstel. “Het is een belangrijke verbindende component tussen alle tafels waarin we de energiesector splitsen die nu eindelijk voldoende aandacht krijgt.” De aantrekkingskracht van waterstof zit in het feit dat het gas door middel van elektrolyse uit water verkregen kan worden en eventueel omgezet kan worden naar elektriciteit. Mits men voor de elektrolyse elektriciteit uit hernieuwbare bronnen gebruikt, is dat proces volledig CO2-neutraal. Daar steekt echter ook meteen het eerste kritiekpunt de kop op: het produceren van waterstof verbruikt elektriciteit en het rendement is geen 100 procent. Er gaat dus energie verloren. Een terecht punt om te maken, meent Peters. “Bij het omzetten van elektriciteit naar waterstof gaat minstens 20 procent van de energie verloren. Echte verliezen krijg je als je ook weer teruggaat van waterstof naar elektriciteit. In een brandstofcel wordt maar 50 procent van de energie uit waterstof omgezet in elektriciteit. Dan heb je veel verloren.”

Wat men zich volgens Peters nog te weinig realiseert, is dat de waarde van waterstof niet zozeer zit in het opnieuw omzetten naar elektriciteit. In plaats daarvan heeft waterstof zelf heel veel waarde als duurzaam molecuul of brandstof voor industriële processen. “Dan beperkt je het verlies van energie tot 20 à 30 procent. En dat duurzame molecuul heeft de industrie in de toekomst echt nodig om producten te maken en processen te runnen die nu op aardgas draaien.” Daarbij kan men denken aan de productie van kunstmest, de raffinage van olie of ontzwaveling. In de haven van Rotterdam loopt momenteel al een project waarbij op aardgas draaiende processen overgaan naar waterstof, maar het zal nog even duren voordat volledig groene waterstof op grote schaal beschikbaar en betaalbaar is. Omdat het gas wordt verkregen met behulp van elektriciteit, is het namelijk niet per definitie duurzaam – dat wordt alleen bereikt door het gebruik van hernieuwbare elektriciteit. In dat geval spreekt men van groene waterstof. Grijze en blauwe waterstof zijn verkregen met behulp van aardgas, waarbij bij blauwe waterstof de vrijgekomen CO2 wordt afgevangen en opgeslagen. Peters: “Blauwe waterstof is goedkoper en een tussenoplossing die we kunnen overwegen totdat de groene variant tegen een goede prijs beschikbaar is, naar verwachting over een jaar of 10.”

Tegen die tijd heeft niet alleen de technologie zich zodanig ontwikkeld en opgeschaald dat kosten van de elektrolyzer omlaag kunnen, maar is er naar verwachting ook voldoende overschot aan hernieuwbare elektriciteit om het proces rendabel te maken. “Momenteel is dat overschot er nog niet en dat zal de komende jaren ook niet gebeuren. Een Europese studie heeft echter aangetoond dat dat bij een hernieuwbaar aandeel van 60 tot 70 procent wel zo is. Als dan ook nog de stroomprijs onder de 3 cent per kWh komt te liggen, kan groene waterstof in dezelfde prijscategorie komen als grijs of blauw.”

Uitdagingen

Er wordt hard gewerkt aan het beantwoorden van de hoe-vraag rondom het klimaatbeleid, en sommige puzzelstukken lijken langzaam op hun plaats te vallen. Toch zien Van der Gaag en Peters voldoende uitdagingen waar men nog tegenaan loopt. Om het tempo erin te houden mag de overheid nog meer financieren, stimuleren en faciliteren. Bijvoorbeeld met duidelijke wet- en regelgeving waarmee zowel bedrijven als particulieren aan de slag kunnen. Mensen moeten zekerheid hebben dat wanneer ze gaan isoleren voor de beste warmtepompboiler of een waterstofketel, die manieren van verwarmen daadwerkelijk opties zijn voor de lange termijn. Ook de industrie wil duidelijkheid zodat ze bewust kunnen kiezen tussen waterstof, elektrificeren of toch biomassa. “Zulke bedrijven kunnen maar eens in de tien jaar groots investeren en willen dus zeker weten dat ze de juiste keuze maken”, aldus Peters.

Ook een gebrek aan draagvlak, hoge kosten, ontbrekende technologie en gebrekkige aansluiting op de bestaande infrastructuur vormen nog obstakels op weg naar 49 procent CO2-reductie. Toch is Van der Gaag optimistisch dat nieuwe voorbeelden en succesverhalen het proces zullen blijven versnellen. Hij verwijst naar een paar jaar terug toen er een hevige discussie woedde over de hoge subsidiekosten van windparken. “Ondertussen is er net voor de tweede keer een subsidievrij windpark uit een aanbesteding gekomen, waarbij de overheid zelfs huur ontvangt voor het gebruik van de zeebodem.”